Printervriendelijke versie  Meerdere pagina's afdrukken

Python » Dier

De python molurus is één van ’s werelds grootste slangen, met lengtes tot 9,15 meter.  Hij behoort tot de Boiidae (subfamilie Pythoninae). Hij leeft verspreid over Azië en Pakistan tot Indonesië en Zuid-China. 

Er zijn twee te onderscheiden soorten:

  • De python molurus molurus is de Indische python (Pakistan, India, Bangladesh, Nepal en Sri Lanka).
  • De python molurus bivittatus is de Burmese python (Burma, Laos, Vietnam, Thailand, Maleisië, Cambodja, Indonesië en Zuid-China). 

De Burmese python komt vaak voor in wouden dicht bij water, moerassen en graslanden.  De slang kan zich gemakkelijk voortbewegen in bomen, op de grond en in het water. Het is een nachtelijke jager.  Hij heeft speciale hittesensoren om prooien op te sporen.  Zoals vele soorten doodt de python door beklemming en verstikking. Hij kronkeld zich rond de prooi en snoert zich aan telkens de prooi uitademt.  Hij verbrijzelt zijn prooi echter niet.  Tot zijn prooien rekent hij een brede waaier van soorten gaande van kleinere zoogdieren tot herten en zelfs luipaarden. 

De schedel van de Burmese python is zeer hard, met dichte en complexe beendernaden.  Zoals elke andere slang heeft hij geen bovenste slaapbeen en jukbeen.  Slangen hebben een binnenoor maar geen trommelvlies en geen gehoorkanaal.  Een beenderig membraan in de oogkas is wel aanwezig. 

De python m. bivittatus is een slang met een zeer grote muil, dankzij zijn uiterst flexibele schedel.  De boven– en onderkaak, alsook de beenderen van het verhemelte hangen vast aan de hersenpan en de bovenkant van de schedel (frontale en pariëtale hersenkwab). 

De vierkantsbeenderen hebben een grotere bewegingsvrijheid dan deze van hagedissen. Dit is voor een deel te wijten aan een verminderd contact met de slapen. Dankzij de enorme slaapbeenderen, die zich bevinden achter het punt waar de schedel en de nek elkaar ontmoeten, kunnen ze hun bek nog meer openen.  Daar de slaapbeenderen ook lichtjes verbonden zijn met de schedel ontstaat er een nog grotere mondholte en wijdere keelholte.  De achterste tandbeenderen hebben geen enkel contact met andere beenderen en kunnen dus opengespreid worden. 

Door deze aanpassingen kan de python een prooi verorberen die 4 à 5 keer zo breed is als zijn eigen kop.  De kaken en de delen van het verhemelte kunnen zich onafhankelijk rond het midden bewegen. Elk deel bevat een reeks vlijmscherpe tanden, die achteraan gebogen zijn.  Deze worden gebruikt om de prooi in de mond te trekken, gebruik makend van een  ratelmechanisme dat afgewisseld wordt tussen de twee zijkanten van de schedel.